BBP als productiemeter, niet als vrijheidsmeter
Economische groei wordt in media vaak toegeschreven aan de overheid, maar dat is een denkfout: een staat produceert geen waarde, hij besteedt slechts wat eerst door burgers en bedrijven is gegenereerd via belasting of schuld. BBP meet alleen productie, geen vrijheid of welvaart, en een economie kan alleen groeien door innovatie, investering en ondernemerschap in de vrije markt. Wanneer landen 44% of 57% van hun BBP zoals respectievelijk Frankrijk en Nederland via de overheid laten lopen, zegt dat niets over balans, maar alles over wie de middelen en keuzes controleert. Het contrast met Paraguay laat zien waarom steeds meer mensen zoeken naar een toekomst waarin de economie van de samenleving komt met een zo een klein mogelijke overheid.
Het Bruto Binnenlands Product (BBP) meet productie, niet welvaart, en al helemaal geen vrijheid. Het telt simpelweg de marktwaarde van wat er binnen een land wordt gemaakt, door bedrijven én overheid samen. Het BBP zegt niets over de vraag of die productie ontstond door vrije keuze, vrijwillige samenwerking en concurrentie, of door staatsdwang, belastingheffing en politieke allocatie.
Economische groei kan niet van de staat komen
Nu.nl kopte in juli 2025 (link) dat de economische groei van Nederland “bijna volledig te danken is aan overheidsuitgaven”. Het is belangrijk om hier bij stil te staan en dit kritisch te ontleden. Groei in de economie ontstaat niet omdat de staat meer uitgeeft; groei ontstaat alleen door meer waarde te produceren, en die waarde komt altijd uit wat economische actoren; mensen, bedrijven en ondernemers toevoegen aan de wereld.
De staat kan uitgaven verhogen, maar die uitgaven bestaan uitsluitend uit middelen die eerst door anderen zijn geproduceerd en verdiend. Een overheid kan niet produceren; zij kan alleen herverdelen. Wat je aan publieke bestedingen ziet, is niet een bron van creatie, maar een allocatie van opbrengst die elders is gegenereerd. Dat is fundamenteel anders dan echte economische groei.
Wanneer een Nu.nl concludeert dat “de groei van de economie vooral door meer overheidsuitgaven komt”, dan wordt groei verward met verandering in bestedingscompositie. Als de staat op papier meer uitgeeft, betekent dat niet dat er meer waarde is gecreëerd. Het betekent alleen dat de collectieve uitgaven zijn gestegen. Echte economische groei komt uit meer productie, meer innovatie, meer investering en meer output door de marktsector. Dat is wat meer welvaart oplevert voor mensen, niet wat een begrotingsboekje mooi laat lijken.
En dus is het volstrekt misleidend om groei toe te schrijven aan de staat. De staat kan componenten van BBP verhogen, maar kan niet zorgen dat de taart groter wordt; hij kan alleen besluiten hoe de taart — die ergens anders gebakken is — wordt verdeeld.
Frankrijk: 57% publieke uitgaven, 43% vrije markt
Frankrijk geeft ongeveer 57% van zijn BBP uit via de overheid.
Dat betekent dat de staat beslist over meer dan de helft van alle middelen in de economie. Sectoren als zorg, onderwijs, infrastructuur, pensioenen en publieke arbeid worden centraal georganiseerd en grotendeels gefinancierd via verplichte herverdeling.
Voor een libertairdenker is dit een alarmsignaal, geen teken van balans. Zodra de overheid de grootste besteder wordt, verschuift een economie van een netwerk van vrijwillige transacties naar een piramide van politieke beslissingen. Innovatie vertraagt, concurrentie verschrompelt, verantwoordelijkheid verdampt, en schuld explodeert. Frankrijk draagt al jaren de gevolgen van een systeem dat niet meer door marktlogica, maar door staatslogica wordt gedragen. Het is een model waarin de staat te veel doet, te veel inneemt, te veel uitgeeft, en daarmee te weinig vrijheid overlaat aan de mensen die de waarde eigenlijk creëren.
Nederland: 44% publieke uitgaven, en de schijnlogica van de zelf-gefinancierde brandstichter
Nederland zit op ongeveer 44% publieke uitgaven als deel van het BBP.
Ook hier wordt vaak verdedigd dat dit “logisch” zou zijn omdat het “in lijn ligt met de belastingdruk”.
Maar dit argument is leeg. Het is alsof je een brandstichter verdedigt door te zeggen:
deze man steekt veel huizen in brand, maar dat is logisch, want hij betaalt zijn eigen benzine en lucifers
Of nog preciezer:
publieke uitgaven zijn prima zolang de belastingen het dekken.
Dat zegt niets over of het verstandig is dat de overheid bijna de helft van de economie claimt. Het zegt alleen dat de overheid groot is én groot gefinancierd wordt. Met die redenering kun je elke overheidsomvang goedpraten, zelfs 80% of 95%, zolang je de belastingdruk maar even hard laat stijgen. Het is schijnlogica.
Het is ook alsof je zegt:
een pyromaan is verantwoord bezig omdat hij zijn eigen lucifers betaalt
Een overheid die te groot wordt, corrigeert niet op de markt, maar vervangt de markt. Het is geen argument vóór economische logica, maar een argument tegen individuele autonomie.
Paraguay: 14% belastingdruk, 86% private allocatie
Paraguay werkt anders. Het land heeft een belastingdruk van rond 14–15% van het BBP.
De publieke uitgaven blijven er veel lager als economisch aandeel dan in Europa. Dit betekent dat 86% van de economische middelen privaat blijft, niet omdat de overheid geen rol heeft, maar omdat de overheid niet het primaire mechanisme is voor waarde-allocatie.
Dit model is niet foutloos, maar het is wel een economie waarin burgers en ondernemers meer directe controle hebben over kapitaal, risico, en beloning. Het is een land waarin de staat niet de grootste architect is van de economie, maar een randvoorwaarde die het ondernemingsklimaat niet structureel verstikt met verplichte herverdeling.
De historische fout van een te grote overheid
Grote overheden leiden tot minder economische groei omdat middelen niet naar de beste oplossingen stromen, maar naar de meest politieke oplossingen.
Centrale planning vervangt ondernemerschap door bureaucratie.
Hoge collectieve uitgaven vereisen hoge dwangheffingen, en dwangheffingen breken prikkels af.
Systemen die beloning en risico socialiseren, ontkoppelen verantwoordelijkheid van eigenaarschap.
Landen met te veel staat eindigen historisch vrijwel altijd met onhoudbare schuld, economische stagnatie en verminderde burgerautonomie.
De grootste sprongen in menselijke vooruitgang kwamen niet uit staatsgroei, maar uit individuele competitie en private innovatie: stoommachines, industrie, luchtvaart, chips, internet, software, medische doorbraken, landbouwinnovatie, en vrijwel elke technologie die het leven daadwerkelijk transformeerde, kwam uit markten, niet uit ministeries.
Het fundamentele probleem in de kern
Zodra 44% of 57% van het BBP via de overheid loopt, betekent dat niet dat het systeem gebalanceerd is. Het betekent dat het systeem collectief verplicht is.
Een land kan een hoog BBP hebben en tóch onvrij zijn. Welvaart die via dwang wordt afgenomen en centraal wordt uitgegeven is geen teken van succes, maar een teken van hoe weinig economische autonomie er nog over is voor de burger zelf.
Daarom is de wens voor een alternatief niet vreemd. Het is rationeel. Mensen zoeken niet alleen een andere economie, maar een andere relatie tot de staat: een systeem waarin je zoveel mogelijk zelf beslist over je middelen, je risico’s en je toekomst, en waarin de overheid niet groter is dan de samenleving die haar zou moeten dragen.